Johannes Passion 4 april 2017

video


De vrije, scheppende geest

Op 1 maart 1950 mochten Svjatoslav Richter en Mstislav Rostropovitsj eindelijk Prokofiev's Cello Sonate in het openbaar spelen. Daar gingen geheime voorvertoningen aan vooraf, in kleine kring. Er moest, schrijft Richter, eerst geoordeeld worden of Prokofiev een nieuw meesterwerk had geschreven of een stuk dat tegen de geest van het volk inging. Veel van Prokofiev's muziek was op dat moment in de ban, net als muziek van bijvoorbeeld Sjostakovitsj en Khachaturian. Eén van de vele nare trekjes van een autoritair regime…
Beethoven was één van de eerste componisten die volwaardige sonates voor cello en piano schreef, waarin de cello niet slechts de linkerhand van de piano meespeelde maar een zelfstandige partij had. Hij was daarmee begonnen tijdens een verblijf aan het Pruisische hof, waar de opvolger van fluitist/koning Frederik de Grote, Friedrich Wilhelm II, de scepter, en de strijkstok, zwaaide (de laatste als verdienstelijk cellist). Verbazend, die instrumentale talenten van de Pruisische machthebbers! En weer een staaltje van politieke invloed in de muziekgeschiedenis…
Daan Manneke is nog onder de levenden, maar zijn vriend Ton de Leeuw overleed in 1996. Manneke schreef ter nagedachtenis aan deze hem sterk verwante componist en muziektheoreticus een stuk, aanvankelijk voor strijkkwartet maar al snel bewerkt voor gamba-solo: Tombeau pour Ton de Leeuw. Later bewerkte hij dit stuk voor cello solo, en nog voor een aantal uiteenlopende bezettingen, uitmondend in een versie voor 5 lage rietblazers. Ewout van Dingstee nam de versie voor cello-solo op voor het label Quintone, tot grote tevredenheid van de componist .

Innerlijke Odyssee

9 Augustus 1975 overleed in Moskou een van de belangrijkste componisten uit de twintigste eeuw, tevens een van de grootste vertegenwoordigers van de Russische cultuur: Dimitri Shostakovich. Terwijl reeds de volgende dag de media in vrijwel de hele wereld over het overlijden van de componist berichtten, gunde de Pravda als officieel orgaan van de Sovjet machthebbers zich wat meer tijd. Pas drie dagen later publiceerde het blad op pagina drie een onopvallend berichtje met de volgende inhoud:“In zijn 69e jaar stierf de grootste componist uit onze tijd, Dimitri Shostakovich, afgevaardigde van de Opperste Sovjet van de USSR, Held van de socialistische arbeid, Volkskunstenaar van de USSR, onderscheiden met de Lenin prijs en met staatsprijzen van de USSR. Als trouwe zoon van de communistische partij…..” – enzovoorts, enzovoorts. Deze doortrapte huichelarij gold een componist die als geen ander in de muziekgeschiedenis leed onder de terreur van een schrikregiem en die werd achtervolgd door officiële veroordelingen en uitvoeringsverboden. Zijn muziek is alleen bezien tegen deze biografische achtergrond begrijpelijk. (…)
Frappant genoeg was Shostakovitch ondanks al deze bedreigingen een heel productieve componist. Zijn laatste werk, de altvioolsonate, draagt het opusnummer 147. Hij componeerde volledig uit het hoofd, het snelle noteren was dan nog slechts een schematische taak. Pas betrekkelijk laat vond Shostakovich de weg naar het strijkkwartet die bij hem samenviel met een innerlijke emigratie.(…) Het gaat hier om heel persoonlijke getuigenissen: Bekenntnismusik, die de levensfasen van de componist als mijlpalen markeren. (…)Deze muziek dwingt een componist om zich met intieme middelen op het wezenlijke te concentreren. (…)
Shostakovich ontwikkelde een eigen tactiek bij het schrijven van kwartetten. “Men verklaart slechts aan een groot werk ter ere van het socialisme te werken. Men krijgt dan enige tijd rust en schrijft een strijkkwartet”, vertelde hij zelf. Natuurlijk, ook de strijkkwartetten hebben niet alle eenzelfde hoog soortelijk gewicht, maar als geheel telt de cyclus tot het beste en belangrijkste wat de 20e eeuwse kwartetliteratuur opleverde. Het visionaire karakter van de late kwartetten weerspiegelt – net als destijds bij Beethoven en Bartók – de persoonlijke gesteldheid van de componist, getekend door angst, pijn, ziekte en de nabije dood. De structuur wordt gecompliceerder, er treden klankmatige vervreemdingen en twaalftoons vormingen op, het verstoppertje spelen dat steeds als camouflage diende, is afgelopen, de taal wordt directer, kariger, meedogenlozer. Dat bereikt zijn hoogtepunt in het 15e kwartet uit 1974 met zijn vijf adagio’s. Als geheel vormt de cyclus van vijftien een innerlijke odyssee waarin een gebied van toenemende spirituele isolatie wordt verkend. 

(Uit: Shostakovich, de 15 strijkkwartetten, door Jan de Kruijff)